Luchtspiegelingen in de Woestijn

Stan Broos

“Ik geef toe dat ik niet veel geheimen voor mezelf heb bewaard. Het risico dat ik gelopen heb door in mijn kaarten te laten kijken vond ik zeer de moeite waard, want zodoende heb ik veel geleerd”.
Bij de overgang van 1965 naar 1966 had Merton af te rekenen met gezondheidsproblemen. Hij begreep dat hij maar beter kon afzien van het plan om Ernesto Cardenal te gaan vervoegen in zijn nieuwe stichting in Nicaraua, al was hij er van overtuigd dat dit voor hem eigenlijk Gods wil was. In de aankomende lente zou hij trouwens een tamelijk ernstige rugoperatie ondergaan in de Sint-Jozefskliniek in Louisville.
Aan de jaarlijkse retraite die geleid werd door bisschop Fulton Sheen nam hij als eremiet niet deel, wel had hij enkele persoonlijke gesprekken met de retraiteleider. Op zijn éénenvijftigste verjaardag maakte hij een lange wandeling in de ondergesneeuwde bossen en overwoog in dankbaarheid dat hij al zo oud geworden was. Rond die tijd pakte de plaatselijke krant, de Louisville Courier-Journal, uit met een artikel over hem. De kluizenaar dacht hierbij aan wat Chuang Tzu hem had geleerd: “De man van de geest is er niet mee gediend als mensen rondom hem gaan samentroepen”.
De eenzaamheid in de kluis leek hem in de eerste maanden zwaar. In zijn nieuwe leefsituatie beleefde hij nu pas echt de eenzaamheid: de ochtend leek hem het zaligste ogenblik van de dag. Bij het eerste ochtendgloren aanschouwde hij de ontluikende zonnestralen. Voor het brede raam van de kluis, dat uitzag over de vallei, beleefde hij de verrijzenis van de nieuwe dag, waarin “het maagdelijk punt van de zuivere nietigheid, het middelpunt van alle liefde”, langzaam aan tot leven kwam, zoals hij in Day of a Stranger geschreven had. (1) Toch beklaagde hij er zich soms over dat hij maar weinig mensen zag. Zijn diepe vreugde om het eenzame leven werd ook wel eens verstoord door bittere oprispingen: zo kwam de gedachte bij hem op dat zijn abt hem misschien uit de gemeenschap had willen verwijderen opdat zijn stem daar wat zou verstillen. Want hij bleef zich intens betrokken voelen bij de maatschappelijke problemen als de rassenkwestie en de oorlog in Vietnam. En juist in die tijd (1966) kwam er weer heel wat tegenwind vanuit de kerkelijke leiding: zo was Dan Berrigan onder druk van kardinaal Spellman door zijn oversten tijdelijk naar Zuid-Amerika verbannen, vermoedelijk omwille van zijn al te grote sympathie voor de actie van de aanzwellende vredesbeweging. (2)
Het was niet zo verwonderlijk dat hij in zijn nieuw verworven eenzaamheid veel aandacht schonk aan het gebed. Hoe vaak had hij het er niet over dat hij naar een intenser en oprechter gebedsleven verlangde? Tijdens de eerste maanden in de kluis herwerkte hij het manuscript van Climate of Monastic Prayer, dat echter pas na zijn dood zou uitgegeven worden.
Al tien jaar was hij in correspondentie met Abdul Aziz, een Pakistaans specialist in het soefisme. Hij had hem al geschreven hoe hij zich in het klooster voelde als een vreemde eend in de bijt. “Ik heb geen eigen plaats in deze wereld en daarom moet ik in zekere zin de vriend en de broeder zijn van alle mensen, bijzonder van hen die banneling en pelgrim zijn zoals ikzelf”. De ‘pelgrim’ die nu voor het eerst zijn eigen stek had, vond zijn leven in menig opzicht nogal eenvoudig, zo schreef hij, “maar het is ook een mysterie dat ik niet echt ten volle begrijp, alsof ik bij de hand geleid word in een nacht waarin ik niets zie, maar ik kan volledig steunen op de liefde en de bescherming van Hem die mij leidt”. (3)
In 1966 had hij het met Abdul Aziz ook over zijn gebedsleven, één van de weinige keren dat hij daarover zo expliciet sprak.
“Je vraagt mij naar mijn methode van mediteren. Ik heb een heel eenvoudige manier van bidden. Ze is volkomen gericht op de aandacht voor Gods aanwezigheid, zijn wil en zijn liefde. Mijn gebed is gericht op geloof, waardoor we Gods aanwezigheid kennen. Men kan zeggen dat dit mijn meditatie het karakter geeft zoals beschreven door de Profeet: ‘voor God staan, alsof men hem zag’. Al betekent dit niet dat men zich iets inbeeldt of dat men zich een juist beeld van God voorstelt, want volgens mij zou dit afgodendienst zijn. Het gaat er integendeel om Hem te aanbidden als onzichtbaar en oneindig ons begripsvermogen te boven gaande, Hem beschouwend als alles. Mijn gebed streeft naar wat jij fana noemt”. (4)
In datzelfde jaar verschenen weer enkele boeken van zijn hand: Raids on the Unspeakable en Conjectures of a Guilty Bystander. Het eerste is het werk van de maatschappelijk bewogen dichter, die een grote belangstelling aan de dag legt voor zijn Zuid-Amerikaanse collega’s. Het tweede is een soort dagboek, zij het dan in een andere door hem nog niet eerder gebruikte vorm.
Voor hij zijn intrek kon nemen in de kluis, had hij bij het overdenken van het leven dat hem daar te wachten stond, geschreven:
“In een tijd waarin veel gesproken wordt over ‘jezelf zijn’, behoud ik mezelf het recht voor te vergeten dat ik mezelf ben, omdat de kans in ieder geval maar heel klein is dat ik iemand anders zou zijn. Het komt mij eerder voor dat iemand, die zich al te intens inspant om ‘zichzelf te zijn’, het risico loopt een schaduw achterna te hollen”. (5)
In de loop van dit jaar zal hij wel eens nagedacht hebben over deze woorden: er stonden immers dingen te gebeuren die hem ruim de kans zouden bieden zich af te vragen ‘wie hij eigenlijk was’. Wat hem als het ware zou overvallen en wat hem heel diep zou raken, zoals we verder zullen zien, beschreef hij in een afzonderlijk dagboek, dat hij de titel meegaf: A Midsummer Diary: How I once became untouchable. Heel onvoorzien zou hij plots in een draaikolk van emoties en passie terecht komen: maandenlang zou hij worstelen met een diepmenselijk probleem. En of hij inderdaad ‘untouchable’ was? Het antwoord op die vraag zal misschien blijken uit het hier volgende verhaal.

Over de handel en wandel van Thomas Merton in deze zomer van 1966 gaven de auteurs John Howard Griffin en Michael Mott ieder hun eigen relaas. Ze hadden toegang tot het meest vertrouwelijke archiefmateriaal, eerst J.H. Griffin en daarna ook M. Mott. (6) Er is een opmerkelijk verschil tussen de twee biografen bij de benadering van de feiten. J.H. Griffin was al sinds het begin van de jaren zestig een goede vriend van Merton, hij had veel sympathie voor de monniken van Gethsemani en door zijn eigen ingesteldheid had hij een goede kijk op het leven van de trappisten. Toen hij om gezondheidsredenen zijn taak niet kon voleinden – hij overleed in 1980 – werd M. Mott aangezocht om de biografie te schrijven. Deze laatste heeft Merton niet persoonlijk gekend, hij is een generatie jonger en heeft niet zo’n bijzonder goede kennis van het monastieke leven.
Zo komt het dat de beide benaderingen enigszins anders overkomen. Het relaas van J.H. Griffin is het werk van een goede vriend, die met bijzonder veel begrip de dagboeknotities uit deze moeilijke periode van Mertons leven las. Hij legde ook veel begrip aan de dag voor wat de monnik zo plots en helemaal onvoorzien overviel. M. Mott geeft een goed maar erg zakelijk verslag over de gebeurtenissen van die zomer. Wat de feiten betreft komen beide verhalen goed overeen, wat ons alvast de waarborg biedt dat de beide onderzoekers met de goede ingesteldheid en de nodige waarheidsliefde Mertons dagboeken hebben trachten te lezen.
Het boek Follow the Ecstasy is niet echt een biografie. Het is eerder de neerslag van het voorbereidend werk dat J.H. Griffin had klaargemaakt voor een hoofdstuk, dat de laatste jaren van Mertons leven zou behandelen. (7)
In het hospitaal te Louisville verblijvend voor een operatie, ontmoette Merton de verpleegster, die ondertussen in de Merton-literatuur bekend raakte onder de naam Margie Smith. Het werd tussen haar en de trappist van middelbare leeftijd onmiddellijk zo iets als ‘liefde op het eerste gezicht’.
Hier volgt dan een bondige reconstructie van het verhaal, dat – naar wij hopen – nu wel vrijuit mag verteld worden. Zes dagen na de operatie ziet hij de bewuste jonge dame op w