Conjectures of a Guilty Bystander – Oplettende toeschouwer

 

Thomas Merton, Conjectures of a Guilty Bystander, New York, Doubleday & Company, 1966.

Nederlandse vertaling:  Oplettende toeschouwer, Brugge, Desclée De Brouwer, 1969.

 

De blik van een monnik, bewust en open, die perspectieven biedt

Ofte gedachten bij Conjectures of a Guilty Bystander

Dit is een bijzondere titel: Gissingen [speculaties] van een schuldige toeschouwer. Het is een heel stevig boek, in een typisch Mertoniaanse stijl, waarbij hij natuurobservaties en anekdotes uit het klooster vlot combineert met en vooral ook ontwikkelt tot analyses van actualiteit en theologische thema’s. In feite beweegt hij telkens heel spontaan van het concrete naar het abstracte, eigenlijk vanuit een brede interesse voor de wereld, het christendom en de grote religie.

Het boek gaat weliswaar in eerste instantie in op thema’s uit de tijd van en na Vaticanum II (1962-1965), maar naar mijn mening biedt het ook nu nog diepgaande reflecties over en analyses van de moderne mens en maatschappij en van grote geloofsthema’s. De lezer ontdekt gaandeweg een boek met heel persoonlijke notities vanuit natuurindrukken, lectuur, actualiteit van toen, het kloosterleven, met telkens een door-kijk en soms ook een essayistische stijl, maar altijd in de directe, beeldende, levendige stijl die Merton zo typeren. Hij biedt wel “geen duidelijke antwoorden”, laat staan pasklare, zegt hij zelf, maar de lezer treft geregeld geniale flitsen van inzicht aan – want monniken zijn geen ‘kasplantjes’ in beschermde, steriele omgevingen…

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken, die voor een stuk thematisch samenhangen, hoewel op een subtiele manier. Hun soms geestige titels maken nieuwsgierig, maar verwijzen wel niet zo direct naar de inhoud. Samenvatten is onmogelijk, maar wij geven wat aanzetten over de teneur ervan.

In het eerste hoofdstuk gaat hij de dialoog aan met Karl Barth – zoals hij zich verderop ook door Dietrich Bonhoeffer laat inspireren. Barths droom (ook de titel) toont twee visies op God: een theologische, en die van het ‘sofianische’ kind, zoals Mozart er een was. Een God over wie je spreekt, en een God van waaruit je leeft. Een God van vervreemding, van religieuze en menselijke ballast, en een God die ons net naar de kern zelf terugvoert. Want telkens weer legt Merton hier de menselijke idolatrie bloot: de afhankelijkheid van, de verslaafdheid aan, het ‘al te menselijke en te weinig goddelijke’. De droom openbaart in dit hoofdstuk vaak de werkelijkheid, maar het is een mozaïek aan los-verbonden gedachten. Hij getuigt telkens weer van een vrije geest die zich naast die twee belangrijke geëngageerde protestantse theologen ook door zen, Thomas van Aquino of Julian of Norwich laat inspireren.

Het tweede hoofdstuk, ‘Waarheid en geweld’, daarentegen lijkt eerder op een essay. Een typisch thema voor Merton trouwens, die – met Mahatma Gandhi – in die vervreemding van de waarheid een basisoorzaak vindt van veel ‘modern’ onheil. Ook hier weer heel veel invalshoeken, die de indruk van verbrokkeling wekken, maar die telkens weer licht werpen op thema’s als vrijheid, maar vanuit een heel persoonlijke, open, geëngageerde invalshoek. God en gelovig vertrouwen in God blijven voor hem telkens weer het levenskompas, alfa en omega.

Komt dan het volgende hoofdstuk: ‘De sfeer van de nacht en de adem van de dageraad’. (1) Het begint met de welbekende natuurimpressie over de overgang van de nacht naar de dag, waar goddelijke wijsheid aan het licht komt – als de mens haar kan of wil horen: het ‘point vierge’, “het centrum van ons niets-zijn waar midden onze ogenschijnlijke wanhoop de mens God ontmoet en zichzelf totaal in zijn genade ervaart” (blz. 151). Veel natuurindrukken, veel beschouwingen over schrijvers en de grote religies, en ook confrontaties met zichzelf als monnik en mens – over allerlei vormen van verleiding, bekoring…

Hoofdstuk 4 verwijst de “Fork in the Road” naar de tragiek van de keuze: ‘kiezen is verliezen’, zegt de volkswijsheid. Zoals de Amerikaanse schrijver Thoreau zijn hoogsteigen weg insloeg, gedreven door zijn gevoeligheid, terwijl de rest van zijn land verblind – en verdoofd – was door de zucht naar geld en welstand (blz. 249). Merton ziet ons voor de keuze staan: de “cultus van de technologie en de [menselijke] macht” als doel op zich blijven belijden, of onze macht opnieuw onder controle krijgen om die te gebruiken om aan ’s mensen noden te voldoen. Hij pleit ervoor dat wij onvoorwaardelijk voor God gaan (blz. 267).

De gek rent naar het Oosten” is de titel van het volgende hoofdstuk en komt uit een Zen-spreekwoord: “… en de bewaker rent ook naar het Oosten./ Ze rennen allebei naar het Oosten,/ Hun doelen verschillen.” Centraal lijkt mij hierin de spiritualiteit te staan, en de spanning met de wereld. Heel vaak zijn die tegenover elkaar gezet (contemptus mundi), maar Merton vreest vooral dat het bij de tijd en de wereld brengen (aggiornamento en ammondamento ; -)) zal uitdraaien op een modieus gedoe [vogue] zonder fond. Heel vaak gaat het hem om eenheid in de essentie, om tot eenheid gebracht leven [unified existence], terwijl de mens zich verliest in zijn fantasieën en wetenschap.

*

Tot zover enkele notities over het boek. Het is ondoenbaar om het echt samen te vatten, maar het lijkt een van die grote werken te zijn, die van betekenis blijven, ook in deze tijd. (2) Het is fris door het prisma aan invalshoeken die toch heel vaak tot een soort eenheid lijken in de zin dat de mens opgeroepen wordt om tot de essentie terug te keren: het een-voudige Zijn, dat hij met God verbindt. Hem vinden we niet in tempels, schrijft hij, maar in het hart van de mens. Een variant op het Vivens homo gloria Dei van Ireneus van Lyon?

Jan Glorieux.

Aantekeningen

1) Het is bijna onbegonnen werk om ‘spirit’ en ‘air’ hier goed te vertalen. ‘Geest’ mist bij ons de link met in-spir-atie, lijkt mij, en de ‘lucht’ wordt verderop de ‘adem’ [breath]. Hij blijkt naar de Ossenbergparabel van de Chinese filosoof Mencius te verwijzen, waarin die zijn vertrouwen uitspreekt in de herscheppende kracht van nacht en dageraad, stilte, passiviteit, … “Daarzonder kan de menselijke aard zichzelf niet zijn”, lezen we (blz. 137).

2) Zo lijkt mij ook bijvoorbeeld Gerhard Richters Der Gotteskomplex uit 1979 even wezenlijke inzichten te bevatten voor deze tijd.